Schouder anatomie

Inleiding

De schouder is een complex gewricht dat, van alle gewrichten in het menselijke lichaam, de grootste beweeglijkheid kent. Juist deze complexe anatomie en grote beweeglijkheid geven aanleiding tot bepaalde specifieke problemen. Om de verschillende schouderproblemen en oorzaken van schouderpijn beter te begrijpen, is een toelichting van de anatomie en terminologie noodzakelijk.

De schouder bestaat uit verschillende structurele lagen. De diepste laag bestaat uit de beenderige structuren en het gewricht, gevolgd door de ligamenten welke het gewrichtskapsel vormen van de schouder.

Beenderen

De beenderen van de schouder zijn de humerus (de bovenarm), de scapula (het schouderblad) en de clavicula (het sleutelbeen). Het dak van de schouder is gevormd door een deel van de scapula welke het acromion wordt genoemd.

Gewrichten

Er zijn 2 voorname gewrichten in de schoudergordel. Het schoudergewricht of glenohumeraal gewricht zelf wordt gevormd door de articulatie tussen de humeruskop en het glenoïd, welke de gewrichtspan vormt. Daarnaast bestaat er een articulatie tussen de clavicula en het acromion, welke het acromioclaviculair gewricht (AC) wordt genoemd.

Ligamenten

Er zijn een aantal belangrijke ligamenten rondom het schoudergewricht. Ligamenten zijn bindweefsel structuren welke beenderen verbinden. Het gewrichtskapsel van de schouder wordt gevormd door een groep van ligamenten welke de humerus verbinden met het glenoïd van de scapula. Deze ligamenten zijn van hoofdbelang voor de stabiliteit van het schoudergewricht en voorkomen eventuele ontwrichting.

Een andere belangrijke groep van ligamenten zorgt voor verbinding tussen het acromion en de clavicula en de clavicula en het coracoïd. Deze zijn belangrijk in de stabiliteit van het AC gewricht.

Spieren en Pezen

De volgende laag rondom het gewrichtskapsel bestaat uit spieren en pezen. De eerste laag spieren welke instaan voor de beweeglijkheid van het schoudergewricht, zijn de rotatorenmanchet of de rotator cuff. Deze groep van spieren ligt net buiten het gewricht en zorgt ervoor dat de schouder in allerlei richtingen kan roteren om onze arm in het dagelijkse leven te gebruiken. De pezen van de rotator cuff spieren zitten vast aan de humerus en zijn verbonden met het gewrichtskapsel.

De rotator cuff spieren en pezen controleren de mogelijkheid tot het opheffen van onze arm naar opzij en naar voor. Daarbij spelen ze ook een belangrijke rol in de stabiliteit van het schoudergewricht door de humeruskop in de pan, gevormd door het glenoïd, te behouden.

De bicepsspier heeft eveneens een belangrijke functie in de beweeglijkheid van de arm en bevat 2 pezen: de lange en korte bicepspees. De lange bicepspees hecht aan op de bovenzijde van het glenoïd en loopt over in het labrum, een kraakbeenderige structuur welke een stabiliserende functie heeft ter hoogte van het glenoïd. Verder naar onder toe loopt de lange bicepspees in een groeve (de bicipitale groeve) en wordt hierin gestabiliseerd door een dwars verlopend ligament, het transversaal humeraal ligament.

De buitenste laag wordt gevormd door de deltoïdspier. Dit is de grootste en sterkste spier van het schoudergewricht. De deltoideus heeft als functie het optillen van de arm naar voren, zijwaarts en achterwaarts.

Bursa

Tussen de rotator cuff en de buitenste deltoid ligt een structuur genaamd de slijmbeurs of bursa. Slijmbeurzen zijn overal in het menselijke lichaam terug te vinden waar 2 lichaamsdelen tegenover elkaar bewegen (en waar geen gewricht aanwezig is). Een slijmbeurs is een klein zakje gevuld met een kleine hoeveelheid gewrichtsvloeistof (smeermiddel) erin. De slijmbeurs ter hoogte van de schouder beschermt het acromion en de rotatoren cuff pezen van tegen elkaar te wrijven.